Ach, die predikanten … !

Willem Barnard aan het woord…

Wanneer het gaat over de ‘bediening des Woords’ denkt men meestal aan de ‘preek ‘, de toespraak van een predikant. En ach, die predikanten! Ze zijn ook maar bloedjes van mensenkinderen, zelden loopt er een chrysostomus, een ‘guldenmond’ tussen! Maar waarom zouden wij uitsluitend of zelfs in de eerste plaats denken aan préken als het om die ‘bediening’ gaat?

Voordracht van de Schriften, dat is primair; en uitleg erbij, bescheiden terzijde, verbindende tekst, vingerafdrukken in de marge, dat is de ambachtelijke opdracht van de theoloog!

Maar àls die Schriften dan eens zo naar voren zouden komen, dan zou meteen blijken hoe onontbeerlijk in de gemeente het dichterschap is. Want poëzie is het grootste deel van de bijbel en waar het niet formeel herkenbaar als poëzie afgedrukt staat, is nog de manier van zeggen, ja de manier van denken beeldend, zodanig als in onze cultuur alleen nog bij dichters gevonden wordt. En daarom is geen enkele theorie over ambten of diensten voor mij overtuigend, die niet volmondig spreekt over de dienst van de dichter, het ambt van de voordracht, de musische taak van cantor en lector, vertaler en vertolker ! […] En dikwijls is het ook een zaak van gezamenlijk ter hand (ter keel!) genomen vertolking bij monde van een lied. Het gaat van oudsher in de kerk zingend toe. Het gaat sinds de hervorming in een groot deel van de kerk toe met zang van allen, in koraal, in samenzang. Maar tot nu toe was vaak dat gezang een uiting van vroomheid veeleer dan een inning van geloof. En wij zingen niet in de eerste plaats omdat we pneuma te véél hebben, Geest in volheid, maar omdat we adem te kort komen en al zingende met volle teugen ons het geloof te binnen brengen, herinneren! – Daarom spreek ik met nadruk in dit verband ook over de dienst van het lied, want dat is een mogelijkheid om samen, eenstemmig of in beurtzang, de Schrift te openen, het Woord te bedienen, deel te nemen aan die hoogheilige taak waar meestal in het enkelvoud over gesproken wordt, de taak van verbi divini Minister. Ik kan dáár niet over spreken zonder meteen te spreken over de dienst van het lied. Het lied is een vorm van ‘bediening des Woords’. Als het dat niet is, hoeft het voor mij niet in de kerk. […] Het is niet omdat ik zelf één van het taalambacht ben, dat ik dit zeg. Maar ik merk het telkens weer: mijn geloofsvorm is (wat Frits Mehrtens noemde): zingend geloven.

bron: Willem Barnard, ‘De dienst van het lied’ in Op een zuil zitten. Essays (Haarlem: 1973), blz. 138-40.

Sinxenfoor anno 1576

Dit kleine psalmboekje (het origineel bevindt zich in Leiden, coll. Bibliothèque Wallone) werd in 1576 in Genève gedrukt. Het zijn de 150 berijme Psalmen. Op zich niets bijzonders, maar wel de ‘calendrier’, die erbij gevoegd is, en waarvan u de laatste pagina ziet:

Aucunes foires de France et autres pays

En dan inzoomen op de laatste groep: ‘Les foires d’Anvers’.
En daar ‘la Premiere’.

De Sinxenfoor

Er zijn nog zekerheden in het leven. (Alleen begon de foor toen pas ‘s dindags na Pinksteren, en wat het natuurlijk geen kermis, maar een ‘foor’, een markt)

Zonder Luther geen Bach (concert-lezing)

De ontwikkeling van de kerkmuziek van Luther tot Bach aan de hand van bekende Lutherse koralen.

13 mei (20u) – try out – Antwerpen – Brabantse Olijfberg (vrije bijdrage)
20 mei (20u) Herentals (sint-Waldetrudiskerk) €15/€12vvk
http://www.heiligehuisjes.be/evenement.php?id=ZonderLutherGeenBach

Dick Wursten vertelt het verhaal van de ontwikkeling van de kerkmuziek in de 16de en 17de eeuw. Organist Willem Ceuleers illustreert dit verhaal op het Walcker-orgel van de Brabantse Olijfbergkerk te Antwerpen aan de hand van een aantal koralen die zowel qua tekst als muziek sprekend zijn.

PROGRAMMA

1.   LUTHER EERSTE GEESTELIJKE LIED: Nun freut euch lieben Christen g’mein
(ballade; zingende evangelieverkondiging)
– Matthias Weckman (1616-1674)
– Johann Sebastian Bach: BWV 734

2.   BEWERKING VAN LATIJNSE HYMNE: Veni Creator Spiritus / Komm, Gott, Schöpfer, Heiliger Geist
– Hans Buchner (1483-1538)
– Johann Sebastian Bach (1685-1750) BWV 667 (Leipziger Choräle)

3.   STROPHISCHE BERIJMING VAN EEN PSALM: Ach Gott vom Himmel sieh darein
– Johann Pachelbel (1653-1706)
– Helmut Walcha (1907-1991): (uit ’25 Choralvorspiele’, 1954)

4.   LIED VOOR DE KINDEREN BIJ KERST (Ballade): Vom Himmel hoch da komm ich her
– Heinrich Scheidemann (1595-1663)
– Johann Sebastian Bach, BWV 606 (Orgelbüchlein)

5.   CATECHISMUSLIED: Dies sind die Heiligen zehn Gebot
– Johann Sebastian Bach: BWV 678 (Clavierübung III, grote orgelmis)
– Marcel Dupré (1886-1971): opus 28 nr. 20 (1932)

6.   NA LUTHER:
Wachet auf, ruft uns die Stimme tekst en melodie: Philipp Nicolai (1566-1608)
– Johann Sebastian Bach BWV 645 (Schübler Choräle)
Schmücke dich, o liebe Seele – Johann Franck (1618-1677) melodie: Johann Crüger (1598-1662)
– Johannes Brahms (1833-1897), opus 122 nr. 5 (1896) in Antwerpen
– Johann Sebastian Bach BWV 654 (Leipziger Choräle) in Herentals
Nun danket alle Gott – Martin Rinckart (1586-1649) melodie: Johann Crüger (1598-1662)
– Sigfrid Karg-Elert (1877-1933) uit ‘Choral-Improvisationen’, 1909 opus 65 nr. 59

Kerstliturgie 2021

Op zoek naar het kerstverhaal

voorganger en verteller: Dick Wursten
muzikale leiding en orgel: Willem Ceuleers

Een kerstdienst, opnieuw met de donkere slagschaduw van ‘corona’. We gaan het dan ook wat rustig aan doen. Meer naar binnengekeerd dan uitbundig. Maar wel met muziek. Natuurlijk. Kerst zonder… dat kan niet. Welkom.

Wilt u ook komen en zingt u graag ? Welkom om mee te zingen (hieronder de orde van dienst). Zingt u graag ook eens een andere stem? Dat mag en kan ook. Gewoon vanaf uw zitplaats. Van de liederen hieronder zingen we er ook meerstemmig (Es ist ein Ros van Praetorius bijv). Maar er is meer: een mailtje aan dick@wursten.be en u ontvangt alle nodige muzieknoten… Wilt u meezingen met het beginkoor (de gregoriaanse melodie, choraliter) geef dat dan ook even aan, dan ontvangt u daarvoor ook de gegevens. Er zijn geen repetities, maar voor de kerkdienst kan er worden afgestemd (9u30).

Orde van dienst

ORGELMUZIEK
Jan Pieterszoon Sweelinck (1561-1621): Fantasia
      uit de ‘Lübbenauer Orgeltabulaturen’ (ca. 1640)

Hieronymus Praetorius (1560-1629): A solis ortus cardine (2 verzen)
      uit de ‘Visbyer Orgeltabulatur’ (Berend Petri, 1611)

Welkom
Koor
A solis ortus cardine / Christum wir sollen loben schon.

Votum en groet
Psalmgebed Psalm 2

Orgelvoorspel (Anthoni van Noordt – à 3 – melodie in bas)
ZINGEN : strofe 1 (Geneefse melodei).
Na de lezing van de Psalm, opnieuw Van Noordt – à 4 – melodie in de discant.
      uit ‘Tabulatuurboeck (…)’ (1659):

ZINGEN gezang 132 Er is een roos ontloken (zetting Praetorius)

Evangelielezing Lukas 2
– Vers 1-14
ZINGEN Les anges dans nos campagnes
– Vers 15-20

Korte overdenking
ORGELMUZIEK: Sigfrid Karg-Elert (1877-1933): Vom Himmel hoch da komm ich her (1908)
      uit ‘Choral-Improvisationen, opus 65’:

ZINGEN: ich steh an deiner Krippen hier
Paul Gerhardts kerstlied = gezang 141, Melodie van J.S. Bach. Nederlandse versie met toelichting, en twee coupletten in het Duits tot slot.

Vrij verhaal:
De nukkige keizer op zoek naar het echte kerstverhaal

ZINGEN gezang 145: Nu zijt wellekome

gebeden
ZINGEN Midden in de winternacht
Voor- en tussenspelen naar Louis-Claude Daquin (1694-1772):

Zegen
ZINGEN amen gezang 456

SORTIE: Paul Blumenthal (1843-1930): Allegro brioso
      uit ‘I. Sonate, opus 57’ (1890):



Musikalische Exequien

Ontstaansgeschiedenis

De tekst

Ongeveer een jaar voor zijn dood begint Heinrich Posthumus Reuss (1572-1635, landheer van Gera etc.) zijn eigen uitvaart voor te bereiden. Hij besluit om de koperen grafkist (sarcofaag) waarmee hij in de graftombe van zijn voorouders zal worden bijgezet, te laten versieren met 25 teksten, een afwisseling van bekende bijbelverzen en geliefde lied-strofen. De ‘idee’ komt bij Martin Luther zelf vandaan.  Die heeft in 1542 in een voorwoord bij een gezangboek met ‘liederen voor een christelijke begrafenis’ zelf een schot voor de boeg gegeven, en geschikte bijbelteksten opgelijst. ZIjn statement: “Zulke spreuken en grafschriften zijn veel zinvoller dan al die wereldlijke tekenen, helmen, schilden …” De bijbelteksten zijn bij Reuss ‘gepaard’ aan een liedstrofe (beetje zoals een aria en een koraal in de Cantates/Passies van Bach). De teksten moeten dienen om straks bij zijn uitvaart de aanwezigen op te wekken om zich op een opbouwende manier op de dood voor te bereiden en over het sterven na te denken (zu Erweck: und Übung Gottseliger SterbensGedancken, zo staat het op de liturgie die gedrukt werd). De staatsbegrafenis is een geloofsstatement bij uitstek, met sociale en politieke functie (het is volop oorlogstijd! Heinrich was – overtuigd Luthers – adviseur van de keizer geweest, zelfs van drie opeenvolgende. Hij wist heel goed wat er speelde.)

Hij kiest ook alvast de preektekst waarover de dominee moet spreken in de dienst: Psalm 73, 25-26: Heer, als ik U maar heb, dan heb ik niets meer nodig op hemel, of op aarde. Tenslotte spreekt hij de wens uit dat de inscripties op zijn grafkist , evenals andere door hem gekozen teksten (o.a. de lofzang van Simeon) tijdens zijn begrafenisdienst zouden worden ten gehore gebracht op muzikale wijze. Zijn vrouw wordt pas enkele dagen voor zijn overlijden ingelicht over het bestaan van de kist en de opzet van zijn uitvaart.

Als de vorst na een kort ziekbed overlijdt (3 december 1635), krijgt – dat lijkt tenminste het aannemelijkste scenari – Heinrich Schütz de opdracht om de teksten op muziek te zetten. Schütz stamt uit Kostritz en zijn vader was gehuwd met de dochter van de burgemeester van Gera. Gezien de diplomatieke carrière van Heinrich Reuss, kan het haast niet anders dan dat ze elkaar gekend hebben. In 1617 had Schütz trouwens op verzoek van de vorst een aanbeveling geschreven voor de organisatie van het muziekleven in Gera (kerk, hof en school).  Schütz kwijt zich op ingenieuze wijze van zijn taak en componeert de Musikalische Exequien: een volledige Duitse ‘begrafenismis’ op muziek.

Op 4 februari 1636 (niet toevallig Maria-lichtmis) vond de plechtige uitvaart plaats in de Skt. Johanniskirche in Gera. Hoogstwaarschijnlijk werd de muziek door Gera-er musici uitgevoerd (8 zangers en 1 toetsenist, die op een ‘verdackt orgel’ moet spelen. Een orgel met een kleed erover? discreet opgesteld? Of met ‘gedackt’ register?) Het eerste deel van de muziek klonk voor de preek als Missa brevis, het tweede deel na de preek (als Schriftmotet). Bij de bijzetting in de familiecrypte onder de kerk, klonk het derde muziekstuk, waarbij het koor de lofzang van Simeon zong, terwijl verderop in de kerk twee vrouwenstemmen antwoordden met ‘Zalig zijn de doden, die in de Here sterven’.  

Zelden klonken bijbelse ‘krachtspreuken’ troostrijker dan in deze muzikale toonzetting van 386 jaar geleden.

De muziek

Het eerste deel van de Musikalische Exequien was dus bedoeld als een Missa Brevis, d.w.z. kyrie en gloria. Het 3-voudige kyrie is gemakkelijk te herkennen in de drievoudige roep om erbarming, gericht tot Vader, Zoon en Heilige Geest, zeer gebruikelijk in de Lutherse traditie. Hier heeft Schütz – na de intonatie (uit Job) de bijbelspreuken getoonzet die op de sarcofaag rondom de crucifix afgedrukt en op het hoofdeind zijn afgedrukt. De ‘hoofd-teksten’ zogezegd:

De rest van de compositie vervangt het Gloria. De intonatie is Joh 3:16a (Alzo lief heeft God de wereld gehad… vervangt dus ‘Gloria in excelsis Deo), waarbij het ‘in terra pax’ – waar gewoonlijk het koor begint – de woorden van het vervolg krijgt toegewezen (opdat allen die geloven, niet verloren gaan, maar…). Daarna worden de bijbelteksten die op de sarcofaag staan getrouw door Schütz getoonzet, steeds gevolgd door de liedstrofen die op de sarcofaag er ook bij geplaatst zijn. Deze verbinding van Bijbel met liedstrofen is het echt originele van de tekstkeuze van Heinrich Reuss. Die liedteksten waren even bekend als de bijbelse ‘krachtspreuken’ en men kende ook de melodie die erbij hoorde. In zijn voorwoord verontschuldigt Schütz zich dat hij de gekende melodieën nogal een geweld heeft aangedaan (eerder thematische inspiratie dan citaat). Hij wilde ze qua sfeer, ritme en tonaliteit, integreren in het totaalconcept dat hij muzikaal voor ogen had. Tussen de door solisten vertolkte bijbelteksten en de daaropvolgende door de capella (6-stemmig) gezongen liedboek-teksten bestaat een sterk inhoudelijk verband, vergelijkbaar met de wijze waarop later Bach in de diverse passies, de koralen laat reageren op de aria’s. Schütz heeft zelf een uitgave verzorgd van de muziek. In het voorwoord spreekt hij de hoop uit dat de muziek verder mag leven, niet enkel als begrafenismuziek, maar als een Duitse Missa brevis. Dit was te revolutionair voor zijn tijd. Men was nog gehecht aan de gewone bewoordingen van m.n. het Gloria. Eigenlijk wel jammer, want wat Schütz (en Reuss) hebben bereikt met hun tekstkeuze is een kyrie dat verankerd is in de beleving van sterfelijkheid, eindigheid van de mens, en een gloria dat antwoordt op die ‘condition humaine’ door te verwijzen naar de dragende en reddende kracht van een verinnerlijkt evangelie. Christo-centrisch en tegelijk humaan, humanistisch.

Overzicht en opbouw

klik op de afbeelding

Orde van dienst

  1. Introïtus: Nacket bin ich vom Mutterleibe kommen…
  2. Kyrie en Gloria
    = deel 1 van de Exequien „Concert in Form einer teutschen Begräbnis-Missa“
  3. Lied: Herzlich lieb hab‘ Ich dich, o HERR
  4. Predikatie door Christoph Richter over Psalm 73, vers 25: Wenn ich, HERR, nur dich habe
  5. Aanknopend aan de preek (als Schriftmotet) : het dubbelkorige Motet HERR, wenn Ich nur dich habe
    = deel 2 van de Exequien
  6. Bijzetting van de sarcofaag in de crypte, terwijl het Canticum Simeonis klinkt
    • als dubbelkorig motet: HERR, nun lässest du deinen Diener « unterlegt mit » Selig sind die Toten. = deel 3 van de Exequien
    • als lied: Mit Fried und Freud Ich fahr dahin  (=Luthers strofische versie van het Canticum Simeonis )
  7. Na de zegenspreuk die de viering besluit, zingt de gemeente nog:

Hört auff mit weinen und klagen,
Ob dem Todt niemand zage.
Er ist gestorben als ein Christ
Sein Todt ein Gang zum Leben ist.

De kist

Uit artikel van Werner Breig (Schütz Jahrbuch 2019

Bach & Bijbel

Lezing over Bachs bijbel

Spreker:  Dick Wursten, historicus en theoloog

Wat geloofde Bach zelf eigenlijk? Was hij een ‘vijfde evangelist’ zoals men vroeger wel eens schreef, of was hij gewoon een ambachtsman in dienst van de kerk? Niemand die het weet, want Bach heeft zich over die zaken nooit uitgesproken.

Of toch? In de vorige eeuw werd geheel bij toeval een 17de eeuwse Bijbel met aantekeningen gevonden in Amerika, die aan Bach bleek te hebben toebehoord. Sterker nog: hij heeft passages onderstreept, en af en toe in de kantlijn opmerkingen geplaatst. Niet voor publicatie, maar voor zichzelf.


Pas sinds kort beginnen onderzoekers te beseffen welk een schat aan informatie hierin verborgen zit. De kriebels in de kantlijn, de enkele uitgebreide aantekeningen en de vele onderstrepingen geven ons een inkijkje in Bachs hart.

Dick Wursten neemt ons bij de hand en laat aan de hand van deze bijzondere bijbel zien wat Bach nu echt dacht over de rol van muziek in de eredienst, over het geloof en het christelijk leven.

De Bachliefhebber en boekenuitgever Dingeman Van Wijnen heeft enkele jaren geleden
een facsimile-editie van de ‘Bach-bijbel’ laten maken. Tijdens de lezing zal er een inkijkexemplaar aanwezig zijn.

https://bachindestad.be/evenementen/bach-bijbel/

Open kerk: de leus voorbij

[verslagje]

Het laatste weekend dat de kerken nog quasi-gesloten waren was toevallig het weekend van de ‘open Kerken’. Tsja. Samen met de Brabantse Olijfberg en het projectbureau ‘de kleine expeditie’ hebben we het initiatief genomen om 3 mensen, die bezig zijn met erfgoed en stadsontwikkeling, samen te brengen in de kerk aan de Lange Winkelstraat. Thema: Open kerk – de leus voorbij. We wilden eens in het diepe springen. Het dus niet hebben over hoe je meer volk in de kerk kunt krijgen, of wat je nog met het gebouw kunt doen, en al helemaal niet over her- of nevenbestemming. Neen, gewoon. Dit gebouw staat er, het is een monument (met tuin en belendende percelen), het vertelt een verhaal… Wij hoeven enkel te luisteren. Het moest dus gaan over hoe je deze bijzondere plek recht kunt doen, kunt valoriseren, en exploreren, zodat de kerk echt ‘open’ wordt voor ieder die op zoek is, ook al weet hij/zij/… niet goed waarnaar precies. Wie weet is hier iets te vinden….

Het werd een boeiend gesprek, zoekend, tastend, maar gaandeweg werden ook perspectieven zichtbaar. Er was herkenning, een gevoel ook van bondgenootschap, gedeelde verantwoordelijkheid. Wordt zeker vervolgd. U kunt het gesprek ‘Open kerk: de leus voorbij’ nabeluisteren/herbekijken  op

Een plek om op verhaal te komen

Wat was eigenlijk Jezus’ favoriet plek ?

Van Jezus weten we veel, maar tegelijk ook weinig. Zo kennen we de kleur van zijn ogen of haar niet, we weten niet hoe groot (of klein) Hij was, of Hij een bas-, bariton of tenorstem had. We weten niet waar zijn huis stond als Hij dat had; al vermoeden we dat Hij in Kapernaüm woonde. En als Hij in Jeruzalem was: waar sliep Hij dan? Op de Olijfberg? Vast wel, maar meestal zal Hij toch wel gelogeerd hebben bij een van z’n vrienden of vriendinnen (in Betsaïda bijvoorbeeld bij Maria, Martha en Lazarus). Wat we wel weten, is dat Hij overdag het liefst in de tempel vertoefde.

Bij het woord tempel moet je niet denken aan een plek waar een gewijde stilte hangt. Nee, ik denk eerder aan een ‘grote Markt’ in een mediterrane stad, met zuilengalerijen (stoa, in het Grieks). En denk er het geroezemoes van de handelaren maar bij; gesprekken met priesters of discussies tussen Schriftgeleerden. Een constant komen en gaan van mensen. Jezus was er graag. Het is daar, op die plek, dat Hij het evangelie heeft verkondigd. Niet roepend vanaf een zeepkist of galmend vanaf een kansel, nee: in de gewone dagelijkse gesprekken met mensen die Hij daar tegenkwam ‘geschiedde het evangelie’. ‘Dagelijks was Ik bij jullie in de tempel om onderricht te geven’, zegt Hij bij zijn arrestatie (Marcus 14:49).

Voorhof

Ik denk zelfs dat ik weet waar Hij het liefste zat in de tempel: op de trap in de ‘voorhof der vrouwen’. Hoe ik dat weet? The Bible tells me so. Ik weet niet hoe het met u is, maar ik probeer me bij het lezen van bijbelverhalen altijd de situatie voor te stellen. Ik wil Jezus zien, de mensen om Hem heen, de gebouwen op de achtergrond, de straatstenen, de bomen, het licht, het geluid. En als ik lees dat Jezus – na een nacht te hebben doorgebracht op de Olijfberg – de volgende ochtend weer in de tempel was, en ging zitten (Johannes 8:2), dan stel ik me dat ook echt voor. En dan vraag ik me af: waarop ging Hij dan zitten? Want denk maar niet dat daar banken en stoeltjes stonden. Nee, de enige plek waar je kon gaan zitten in de tempel is op een traptree tussen de verschillende ‘voorhoven’.

Vreemde vrijspraak

Op die plek is het, dat enkele rechtzinnige gelovigen komen aangestormd en een vrouw voor Hem neerwerpen die overspel heeft gepleegd. Enfin, je kent het verhaal. Je ziet het voor je. Jezus tekenend in het zand, je hoort de stenen één voor één vallen in het zand als de mannen afdruipen. Dat is allemaal gebeurd bij de trap aan het eind van de ‘voorhof der vrouwen’. Echt waar, want als Jezus na die vreemde vrijspraak een heel nieuw licht op het wereldgebeuren heeft geworpen, besluit de evangelist de episode met de droge mededeling: ‘Dit zei Hij bij de schatkamer van de tempel, waar Hij onderricht gaf’ (Johannes 8:20). Dezelfde plek overigens als waar de weduwe haar penninkske in de offerkist werpt en Jezus de financiële wereld op zijn kop zet door haar gift de hemel in te prijzen (Marcus 12:41). En dat is rechts van de trap die toegang verschafte naar de Voorhof (waar de vrouwen niet mochten komen. Tsja, andere tijden)

Een derde plek

Wat wil ik hier nu eigenlijk mee zeggen? Niet zoveel. Ik wil er alleen maar op wijzen dat het evangelie in zijn oervorm niet wordt meegedeeld in een speciaal daarvoor ingericht gebouw (zoals een kerk), maar op wat de Amerikaanse socioloog Ray Oldenburg ooit genoemd heeft een ‘third place’, een van die speciale plekken in de mensenwereld waar je met je vrienden naartoe gaat, waar je van gedachten wisselt, je hart lucht, ervaringen deelt, verhalen vertelt. Sinds de pandemie op z’n laatste benen loopt (fingers crossed) weten we weer precies waar die plekken zijn: de Graslei in Gent, de kaaien in Antwerpen, de terrassen voor de cafés. Skatepleinen, speeltuinen, parken en hangplekken.

De eerste plek, aldus Oldenburg, is je (t)huis. De tweede is je werkplek, die je deelt met collega’s. Allebei belangrijk, maar daarnaast hebben mensen informele plekken nodig om elkaar te ontmoeten: ‘third places’. Het gesprek is er ontspannen, er hoeft niets, maar er gebeurt veel. Je kunt er (weer) ‘op verhaal komen’. Lokale bibliotheken en boekhandels proberen zich vandaag de dag om te vormen tot zulke third places. Gelijk hebben ze! De ‘voorhof der vrouwen’ was er ook eentje. En ik vraag me af: waarom zouden onze kerken (en de ruimtes eromheen) niet zo’n derde plek kunnen worden? Zet ze open en laat maar komen, laat het evangelie maar gebeuren, die ‘blijde tijding’: al die dingen in een mensenleven waardoor je ervaart dat het leven goed is, en dat het goed komt.

Dick Wursten (geschreven voor Open Kerkendag (Belgie, 5-6 juni)

Open Churches