26/11 Concert Heinrich Schütz (350 jaar geleden overleden)

Sint Willibrorduskerk – BORGERHOUT (Kerkstraat 89) – 20u

vocaal en instrumentaal ensemble de Completen o.l.v. Bart Schoukens; duiding door Dick Wursten

  • Leuven – Abdijkerk Vierbeek – zaterdag 19 november 2022 – 20.00u
  • Oostende – Kapucijnenkerk zondag 20 november 2022 –  16.00u
  • Antwerpen/Borgerhout – Sint-Willibrorduskerk – zaterdag 26 november – 20.00u

Heinrich Schütz is zonder twijfel de belangrijkste Duitse componist uit de 17e eeuw.  Hij overleed op 6 november 1672 in Dresden, waar hij in 1617 kapelmeester werd bij de keurvorst van Saksen.  De jonge Schütz studeerde 3 jaar bij Giovanni Gabrieli in Venetië, op dat ogenblik het centrum van muziekvernieuwing in Europa.  Tegelijkertijd wordt het Duitsland van Schütz verscheurd door pestepidemies en (godsdienst-)oorlogen.  Al deze elementen hebben grote invloed op het leven en de muziek van Heinrich Schütz.
De Completen brengen verschillende aspecten uit het werk van Schütz naar voor : er wordt geput uit de intieme Italiaanse madrigalen en indrukwekkende Psalmen Davids. Daarnaast worden werken, gecomponeerd ter ere van keizers, huwelijken en vredesverdragen uitgevoerd. We eindigen met delen uit zijn ‘zwanenzang’ om te eindigen met een Latijns Magnificat, dat enkel in manuscript is overgeleverd (Uppsala, verzameling Gustav Düben) en dat niet zou misstaan in de San Marco t.t.v. Monteverdi.

INLICHTINGEN EN RESERVATIE : lieven.van.den.eede@skynet.be

  • 1. Psalmen Davids (1619) Zion spricht : der Herr hat mich verlassen, SWV 46
    • eerste tussenkomst: Schütz, wie was dat?
  • 2. Italiaanse madrigalen (1611) O dolcezze amarissime d’amore, SWV 2
  • 3. Huwelijksmuziek: Haus und Güter erbet man von Eltern, SWV 21
    • tweede tussenkomst: men at war
  • 4. Muziek bij een keizerskroning (1621) Syncharma musicum  « En novus Elysiis », SWV 49
  • 5. Geistliche Chormusik (1648)Tröstet, tröstet mein Volk, SWV 382
  • 6. Symphoniae Sacrae III (1650) Nun danket alle Gott, SWV 418
    • derde tussenkomst: De weg naar binnen
  • 7. Psalmen Davids (1619) Jauchzet dem Herren, alle Welt, SWV 36
  • 8. Manuscript O Bone Jesu, fili Mariae virginae, SWV 471
    • laatste tussenkomst : Opus ultimum
  • 9. Schwanengesang (1671) Psalm 119 (motet IV : Dsaîn und Chet), SWV 485
  • 10. Schwanengesang (1671) Jauchzet dem Herren, alle Welt, SWV 493
  • 11. Manuscript Latijns Magnificat, SWV 468
Handtekening : “Heinrich Schütz
Electoris Capellmeister Manu Proprio

Voor meer achtergrondinfo, lees ook deze pagina

Dulle Griet schiet in actie

Een waar gebeurd verhaal, waarin een groep verontwaardigde Antwerpse vrouwen (aangevuurd door Griet Boonams) de loop van de (kerk)geschiedenis probeert te beïnvloeden. De opstand tegen staats- en kerkelijk gezag begint eind september 1522 met de arrestatie (en bevrijding) van een Augustijnse pater. Een goede maand later is alle hoop in de kiem gesmoord. De Augustijnen zijn opgepakt, het klooster met de grond gelijk gemaakt, en Griet is verbannen. Op 1 juli 1523 vinden de eerste ketterverbrandingen plaats in Brussel.

bronverwijzingen en originele citaten vindt u hier

Dulle Griet – détail (museum Mayer – Van Den Bergh)

I De arrestatie van prior Hendrik

Het is Sint Michielsdag (29 september) 1522. In het Augustijnerklooster luidt de bel. Er staat een man voor de deur, in paniek: Vrouw Andriessen ligt op haar uiterste, in de Munte, of prior Hendrik kan komen om haar het laatste oliesel toe te dienen. Snel raapt de pater z’n spullen bijeen, en haast zich – samen met de boodschapper – naar de zieke. Bij het Muntplein gekomen, duiken er plots twee mannen op, grijpen de prior beet, trekken hem een donkere steeg in, en voeren hem af naar het Sint-Michielsklooster. Daar werpen ze hem in een cel. De portier-broeder sluit de deur en de schout, Nicolaas van Liere, en twee van z’n rakkers – want dat waren de mannen – gaan terug naar buiten. De schout steekt de mannen wat geld toe, en wandelt vervolgens via de Hoogstraat terug naar het stadhuis. Opdracht volbracht. De inquisiteur (Van der Hulst) zal tevreden zijn, en de landvoogdes (Margaretha) ook. De list is geslaagd: de ketterse predikant naar buiten lokken, hem in het geniep arresteren, zodat er geen reuring ontstaat – de situatie in de stad was immers de laatste tijd al gespannen genoeg. En dan morgenochtend voor dag en dauw op transport naar Brussel, naar het tuchthuis in Vilvoorde. Daar zullen ze wel raad met hem weten.
Wat de schout echter niet in de gaten heeft, is dat het gebeuren niet onopgemerkt is gebleven. Een vrouw die van de Vrijdagmarkt kwam had de prior herkend toen hij uit de Lange Ridderstraat kwam, en was hem gevolgd richting Den Oever. Ze had de overval bij de Munte zien gebeuren en was de mannen daarna stilletjes gevolgd tot in de Kloosterstraat. En die vrouw was niet de eerste de beste: Het was Margriet Boonams, uit Mechelen. Gramhans heette haar man, maar die was al lang dood. Niet op haar mondje gevallen was ze, voor geen kleintje vervaard. Onrecht vedroeg ze niet; en als ze haar gelijk niet kreeg, ging ze het halen. Achter haar rug noemde men haar: ‘Dulle Griet’.

Dulle Griet (détail) – Museum Mayer – Van Den Bergh

Ook zìj weet wat er met de gearresteerde pater gaat gebeuren, daar in het tuchthuis in Vilvoorde… De vorige prior, Jacob Proost van Ieper, was als een gebroken man teruggekeerd, d.w.z. naar z’n geboortestad afgevoerd. In haar hoofd rijpt een plan.

II De bevrijding door een menigte ‘quade Wyffs’ (boze vrouwen)

Terwijl Nicolaas van Liere (de schout) overtuigd is dat niemand iets gemerkt heeft van de kidnapping van de Augustijnerprior en op z’n gemak bezig is het transport (30 september, voor zonsopkomst) te regelen, is Griet Boonams in actie geschoten. Ze heeft alles gezien, en trekt de wijk in (nu de parochie van Sint-Andries). Ze klopt aan elke deur en vertelt op wat voor schandalige wijze de onschuldige, en geliefde prediker uit het Augustijnerklooster in de val is gelokt en net als z’n voorganger (Jakob Proost, van Ieper) naar Brussel zal worden afgevoerd. Als een geestelijk wrak keerde hij terug. Een schande is het! Dat kunnen ze toch niet opnieuw laten gebeuren. En ze vindt gehoor. Als de avond valt op Sint-Michielsdag (29 september) trekt een grote stoet vrouwen door de Kloosterstraat. Ze steken stokken in de lucht, hier en daar zwaait zelfs iemand met een zwaard. Bij de abdij gekomen, bonken ze met alles wat ze hebben op de poort. Een hels lawaai is het, een heksenketel. De broeder-portier van de Michielsabdij weigert nochtans de deur te openen. Het geroep neemt toe. Enkele vrouwen komen aan met zware houten balk. Als volleerde rammers stormen ze op de deur af. De poort bezwijkt. Een oerkreet weerklinkt en onder aanvoering van onze “Dulle Griet” stormen de vrouwen het klooster binnen. De monniken weten niet wat hen overkomt. Vrouwen in hun klooster, en het zijn geen kwezels. Al snel is de cel gevonden waar pater Hendrik zit. Juichend voeren ze hem naar buiten, en dan snel terug richting Den Oever, binnendoor rechtsom langs de Munt en via de Lange Ridderstraat naar het klooster. Hendrik weet niet wat hem overkomt. In een brief (eind november) zegt hij dat het wel een paar 1.000 vrouwen waren (aliquot mulierum millia) die hem hebben bevrijd. Een ‘Antwerpse kroniekschrijver ‘ houdt het op 300. In elk geval zijn de schout en de inquisiteur door de vrouwen in snelheid gepakt, want voor de schutters van de Nachtwacht ter plekke zijn, is de prior al veilig en wel terug in zijn eigen klooster.

Dulle Griet – détail (museum Mayer – Van Den Bergh)

En dàt klooster nu met geweld binnenvallen, dat durft de schout niet aan. Stel je voor dat mannen het voorbeeld van de vrouwen zouden volgen ! Dan zou er een volksopstand zijn tegen het wereldlijk gezag. Het was al zo onrustig in de stad de laatste tijd: religieuze spanningen, die zich politiek begonnen te vertalen. De stadssecretaris (Corneel de Schrijver/ Grapheus) was ook al besmetgeraakt door het Luthervirus. En dit klooster, dat was het centrum van de besmetting, en de wijk errond de broeihaard. Als hij terugkeert wordt hij op de Vrijdagmarkt uitgejouwd door een groep vrouwen. De schutters pakken er een aantal op. Een nachtje in de cel zal hen goed doen…

Dick Wursten, 29 september 2022

wordt vervolgd

Kaart uit de 17de eeuw: de Sint-Andrieskerk is gebouwd op de plaats van het Augustijnerklooster. De straatnaam is sindsdien nog het enige wat aan het klooster herinnert. En, oh ja, het Lutherplein tussen de Lange Ridderstraat en De Munt – sinds 2017

III. De toorn van de landvoogdes (Margaretha)

30 september, de zon komt op. Voor de poort van het Augustijnerklooster staan nog steeds de hellebaardiers, strak en stram in de houding: niemand kan ongemerkt van binnen naar buiten. Tegen 9 uur arriveert de schout met een aantal leden van de schutterij. Hij trekt aan het koord, en hoort hoe in de kloostergang de bel weerklinkt. Even later gaat het luikje open. De portier-broeder vraagt wie hij mag aankondigen. “Ridder Nicolaas van Liere, schout en markgraaf van Antwerpen!” Tot z’n verbazing zwaait de poort meteen open en even later heet subprior Lambert van Thoren hem van harte welkom: “Ach, hooggeachte heer markgraaf, wat goed dat u tot ons komt. Wij wilden namelijk net naar u toe, want onze prior, pater Hendrik, is gisteren vertrokken om een zieke te berechten, en wij hebben sindsdien niets meer van hem vernomen! Er zal hem toch niets ergs overkomen zijn?”
De schout kan er niet mee lachen. Hij gelast een volledige doorzoeking van het klooster. Zonder resultaat: Geen Hendrik te bekennen. De vogel is gevlogen. Hij kan niet anders dan de aftocht blazen. Die verduivelde Augustijnen zijn hem al weer te slim af geweest. En inderdaad. Hendrik is wel even in het klooster geweest na zijn bevrijding, maar na een crisisoverleg leek het iedereen beter om buiten het klooster onder te duiken. En het was vast niet moeilijk geweest om onderdak te vinden. Sympathisanten genoeg. Bijvooorbeeld in de Cammerstraat (Kammenstraat). Daar woonden en werkten de drukkers en boekbinders van Antwerpen. Al sinds het begin van de Lutherse hervormingsbeweging stonden ze in naus contact met de Augustijnen. Samen zorgden zij voor de verspreiding binnen Vlaanderen van Luthers ideeën over de hervorming van kerk en samenleving. 1 We kennen zelfs de naam van de man bij wie Hendrik is ondergedoken, maar weten verder niets van hem: Aert Maes.2. Wat we ook weten is dat op 11 oktober twee boekbinders worden gearresteerd en aan de schandpaal genageld voor ‘lutherije’. Ze worden enkel bij voornaam genoemd : ‘Adriane’ en ‘Arende’ (is dat Aert Maes?). Naast het feit dat ze op de ‘Kake’ hebben gestaan, mishandeld zijn3 wordt ook bepaald dat ze voor eeuwig ‘een geel kruis’ op de kleren moeten naaien’ (= ketterteken). Als de gemoederen enige tijd later wat bedaard zijn, verlenen burgemeester en schepenen overigens op dit punt dispensatie (zo is het Stadsbestuur van Antwerpen dan ook weer wel). Hendrik van Zutphen ontsnapt enkele dagen later uit de stad en begeeft zich via de Noordelijke Nederlanden naar Bremen. Wat hij daar gedaan heeft, en hoe hij even later aan z’n eind gekomen is, is een verhaal op zich… [hier kunt u het lezen]

Dulle Griet [detail]

IV. En Dulle Griet, Margriet Boonams, hoe is het met haar afgelopen?

Niet goed. De landvoogdes, Margaretha van Oostenrijk, kon niet lachen met het feit dat een groep onderdanen, vrouwen nog wel, een ketterse monnik uit de handen van het gerecht hadden bevrijd, en daarvoor een mannenklooster waren binnengedrongen! Heel Europa sprak er schande van. Het verhaal staat dan ook in alle bekende ‘Kronieken’ uit/over onze landstreken (Diverse Antwerpse, de Vlaamse, Brabantse etc …). Logisch. Het was ook geen fait divers, maar een Europa-breed schandaal. Het verhaal ging ’viraal’. Er zijn sporen van te vinden tot in de officiële documenten van keizer Karel. Waar moet dat eindigen? Een volksopstand? een revolutie? De landvoogdes schiet dan ook in actie, Ze beveelt het Augustijnerklooster te sluiten (3 oktober), al snel gevolgd door een ‘plaatsverbod’ om het klooster (en z’n naaste omgeving) te betreden, omdat het onrustig blijft in de stad en het geregeld tot opstootjes komt rond het klooster. Tegen alle monniken wordt een ketterproces opgestart. Ze worden op 7 en 8 oktober op boerenwagens van Antwerpen naar Vilvoorde (en Hoogstraten) vervoerd, waar ze grondig worden gescreend op ketterse opvattingen. De meesten herroepen, en nemen dan de wijk naar veiliger oorden of beginnen een ander leven. Twee houden voet bij stuk en worden op 1 juli 1523 met groot ceremonieel op de Grote Markt van Brussel ‘aan het louterende vuur prijsgegeven’: Hendrik Vos en Johannes van Essen. Het klooster van de Augustijnen te Antwerpen is dan al lang met de grond gelijk gemaakt, enkel het kerkgebouw wordt behouden: het is het begin van de Sint-Andrieskerk.

Margriet Boonams is dan al lang niet meer in Antwerpen. Ze heeft het waarschijnlijk allemaal met lede ogen zien gebeuren. In elk geval trekt ze zich van het plaatsverbod op de Augustijnersite niets aan. Op maandagavond 9 oktober 1522 is ze er getuige van dat inquisiteur, Frans van der Hulst, met een aantal commissarissen bezig is om het klooster verder te ontruimen. Boeken worden op wagens geladen, en ook ander belastend materiaal wordt meegenomen. Als zij dit ziet, knapt er iets in haar. Het ‘correctieboek’ van de stad Antwerpen bewaart het verslag van haar proces op 13 oktober (ik parafraseer): Ze stond bij de muur van het klooster te roepen, te tieren, en te wenen. Hierdoor ontstond er veel commotie. Ook viel ze de daar aanwezige ‘heren van de wet’ (schout, inquisiteur etc.) lastig en schold hen uit (‘met zeer injurieuse en afdragende woorden’). De ‘heren van de wet’ doen hun beklag bij het stadsbestuur en op 13 oktober moet ze voor de vierschaar verschijnen. Die beraadslaagt niet lang. ‘Belediging van een ambtenaar in functie’ en ‘minachting van de wet’. Ze wordt verbannen. Ze krijgt één dag om Antwerpen te verlaten, en drie dagen om het markgraafschap uit te zijn. Haar zonden moet ze overdenken door op bedevaart te gaan naar Nicosia (Cyprus). En alleen als ze de aflaat bij zich heeft, mag ze terugkomen. Keert ze terug zonder dat bewijsstuk zal ze levend worden begraven.4

Epiloog: het verhaal gaat… tot aan Brueghel

Toch zal niet vergeten worden dat deze toffe vrouw ‘een roof heeft gedaan voor de hel’, ‘en dat de hel zelf van haar actie verschoot’ (= hoe Carel van Mander Brueghels Dulle Griet beschrijft). Het verhaal leefde voort in de kringen van Brusselse tapijtwevers en schilders rond Bernard (of Barend) van Orley, die zich over de gevangen Antwerpse Augustijnen ontfermden, en Lambert van Thoren tot z’n overlijden in 1528 verzorgden (naar lichaam en ziel).5 Deze Bernard was een goede vriend van Pieter Coecke van Aelst, bij wie enige tijd later een zekere Pieter Brueghel in de leer gaat. De kring hervormingsgezinde ambachtslieden blijft bestaan, ookal worden ze diverse malen door de inquisiteurs geviseerd (en zelfs gedeeltelijk gearresteerd). Het (meer en meer ondergrondse) netwerk van dissidenten, dwarsdenkers, is nauw verbonden met diverse rederijkersverenigingen. Ook in 1563 (het jaar van Dulle Griet) is het nog springlevend.

Dulle Griet [detail – het verbijsterde gezicht van de hel].
NB: Carel van Mander in het Schilder-boeck (1604) beschrijft het schilderij als afbeeldend een “dulle Griet, die een roof doet voor de helle.” Hij voegt toe dat de hel “seer verbijstert siet, en vreemt op zijn schots toeghemaeckt is’. [“een verbijsterde blik heeft en op een wel heel rare manier is afgewerkt”]

Ach, die predikanten … !

Willem Barnard aan het woord…

Wanneer het gaat over de ‘bediening des Woords’ denkt men meestal aan de ‘preek ‘, de toespraak van een predikant. En ach, die predikanten! Ze zijn ook maar bloedjes van mensenkinderen, zelden loopt er een chrysostomus, een ‘guldenmond’ tussen! Maar waarom zouden wij uitsluitend of zelfs in de eerste plaats denken aan préken als het om die ‘bediening’ gaat?

Voordracht van de Schriften, dat is primair; en uitleg erbij, bescheiden terzijde, verbindende tekst, vingerafdrukken in de marge, dat is de ambachtelijke opdracht van de theoloog!

Maar àls die Schriften dan eens zo naar voren zouden komen, dan zou meteen blijken hoe onontbeerlijk in de gemeente het dichterschap is. Want poëzie is het grootste deel van de bijbel en waar het niet formeel herkenbaar als poëzie afgedrukt staat, is nog de manier van zeggen, ja de manier van denken beeldend, zodanig als in onze cultuur alleen nog bij dichters gevonden wordt. En daarom is geen enkele theorie over ambten of diensten voor mij overtuigend, die niet volmondig spreekt over de dienst van de dichter, het ambt van de voordracht, de musische taak van cantor en lector, vertaler en vertolker ! […] En dikwijls is het ook een zaak van gezamenlijk ter hand (ter keel!) genomen vertolking bij monde van een lied. Het gaat van oudsher in de kerk zingend toe. Het gaat sinds de hervorming in een groot deel van de kerk toe met zang van allen, in koraal, in samenzang. Maar tot nu toe was vaak dat gezang een uiting van vroomheid veeleer dan een inning van geloof. En wij zingen niet in de eerste plaats omdat we pneuma te véél hebben, Geest in volheid, maar omdat we adem te kort komen en al zingende met volle teugen ons het geloof te binnen brengen, herinneren! – Daarom spreek ik met nadruk in dit verband ook over de dienst van het lied, want dat is een mogelijkheid om samen, eenstemmig of in beurtzang, de Schrift te openen, het Woord te bedienen, deel te nemen aan die hoogheilige taak waar meestal in het enkelvoud over gesproken wordt, de taak van verbi divini Minister. Ik kan dáár niet over spreken zonder meteen te spreken over de dienst van het lied. Het lied is een vorm van ‘bediening des Woords’. Als het dat niet is, hoeft het voor mij niet in de kerk. […] Het is niet omdat ik zelf één van het taalambacht ben, dat ik dit zeg. Maar ik merk het telkens weer: mijn geloofsvorm is (wat Frits Mehrtens noemde): zingend geloven.

bron: Willem Barnard, ‘De dienst van het lied’ in Op een zuil zitten. Essays (Haarlem: 1973), blz. 138-40.

Sinxenfoor anno 1576

Dit kleine psalmboekje (het origineel bevindt zich in Leiden, coll. Bibliothèque Wallone) werd in 1576 in Genève gedrukt. Het zijn de 150 berijme Psalmen. Op zich niets bijzonders, maar wel de ‘calendrier’, die erbij gevoegd is, en waarvan u de laatste pagina ziet:

Aucunes foires de France et autres pays

En dan inzoomen op de laatste groep: ‘Les foires d’Anvers’.
En daar ‘la Premiere’.

De Sinxenfoor

Er zijn nog zekerheden in het leven. (Alleen begon de foor toen pas ‘s dindags na Pinksteren, en wat het natuurlijk geen kermis, maar een ‘foor’, een markt)

Zonder Luther geen Bach (concert-lezing)

De ontwikkeling van de kerkmuziek van Luther tot Bach aan de hand van bekende Lutherse koralen.

13 mei (20u) – try out – Antwerpen – Brabantse Olijfberg (vrije bijdrage)
20 mei (20u) Herentals (sint-Waldetrudiskerk) €15/€12vvk
http://www.heiligehuisjes.be/evenement.php?id=ZonderLutherGeenBach

Dick Wursten vertelt het verhaal van de ontwikkeling van de kerkmuziek in de 16de en 17de eeuw. Organist Willem Ceuleers illustreert dit verhaal op het Walcker-orgel van de Brabantse Olijfbergkerk te Antwerpen aan de hand van een aantal koralen die zowel qua tekst als muziek sprekend zijn.

PROGRAMMA

1.   LUTHER EERSTE GEESTELIJKE LIED: Nun freut euch lieben Christen g’mein
(ballade; zingende evangelieverkondiging)
– Matthias Weckman (1616-1674)
– Johann Sebastian Bach: BWV 734

2.   BEWERKING VAN LATIJNSE HYMNE: Veni Creator Spiritus / Komm, Gott, Schöpfer, Heiliger Geist
– Hans Buchner (1483-1538)
– Johann Sebastian Bach (1685-1750) BWV 667 (Leipziger Choräle)

3.   STROPHISCHE BERIJMING VAN EEN PSALM: Ach Gott vom Himmel sieh darein
– Johann Pachelbel (1653-1706)
– Helmut Walcha (1907-1991): (uit ’25 Choralvorspiele’, 1954)

4.   LIED VOOR DE KINDEREN BIJ KERST (Ballade): Vom Himmel hoch da komm ich her
– Heinrich Scheidemann (1595-1663)
– Johann Sebastian Bach, BWV 606 (Orgelbüchlein)

5.   CATECHISMUSLIED: Dies sind die Heiligen zehn Gebot
– Johann Sebastian Bach: BWV 678 (Clavierübung III, grote orgelmis)
– Marcel Dupré (1886-1971): opus 28 nr. 20 (1932)

6.   NA LUTHER:
Wachet auf, ruft uns die Stimme tekst en melodie: Philipp Nicolai (1566-1608)
– Johann Sebastian Bach BWV 645 (Schübler Choräle)
Schmücke dich, o liebe Seele – Johann Franck (1618-1677) melodie: Johann Crüger (1598-1662)
– Johannes Brahms (1833-1897), opus 122 nr. 5 (1896) in Antwerpen
– Johann Sebastian Bach BWV 654 (Leipziger Choräle) in Herentals
Nun danket alle Gott – Martin Rinckart (1586-1649) melodie: Johann Crüger (1598-1662)
– Sigfrid Karg-Elert (1877-1933) uit ‘Choral-Improvisationen’, 1909 opus 65 nr. 59

Kerstliturgie 2021

Op zoek naar het kerstverhaal

voorganger en verteller: Dick Wursten
muzikale leiding en orgel: Willem Ceuleers

Een kerstdienst, opnieuw met de donkere slagschaduw van ‘corona’. We gaan het dan ook wat rustig aan doen. Meer naar binnengekeerd dan uitbundig. Maar wel met muziek. Natuurlijk. Kerst zonder… dat kan niet. Welkom.

Wilt u ook komen en zingt u graag ? Welkom om mee te zingen (hieronder de orde van dienst). Zingt u graag ook eens een andere stem? Dat mag en kan ook. Gewoon vanaf uw zitplaats. Van de liederen hieronder zingen we er ook meerstemmig (Es ist ein Ros van Praetorius bijv). Maar er is meer: een mailtje aan dick@wursten.be en u ontvangt alle nodige muzieknoten… Wilt u meezingen met het beginkoor (de gregoriaanse melodie, choraliter) geef dat dan ook even aan, dan ontvangt u daarvoor ook de gegevens. Er zijn geen repetities, maar voor de kerkdienst kan er worden afgestemd (9u30).

Orde van dienst

ORGELMUZIEK
Jan Pieterszoon Sweelinck (1561-1621): Fantasia
      uit de ‘Lübbenauer Orgeltabulaturen’ (ca. 1640)

Hieronymus Praetorius (1560-1629): A solis ortus cardine (2 verzen)
      uit de ‘Visbyer Orgeltabulatur’ (Berend Petri, 1611)

Welkom
Koor
A solis ortus cardine / Christum wir sollen loben schon.

Votum en groet
Psalmgebed Psalm 2

Orgelvoorspel (Anthoni van Noordt – à 3 – melodie in bas)
ZINGEN : strofe 1 (Geneefse melodei).
Na de lezing van de Psalm, opnieuw Van Noordt – à 4 – melodie in de discant.
      uit ‘Tabulatuurboeck (…)’ (1659):

ZINGEN gezang 132 Er is een roos ontloken (zetting Praetorius)

Evangelielezing Lukas 2
– Vers 1-14
ZINGEN Les anges dans nos campagnes
– Vers 15-20

Korte overdenking
ORGELMUZIEK: Sigfrid Karg-Elert (1877-1933): Vom Himmel hoch da komm ich her (1908)
      uit ‘Choral-Improvisationen, opus 65’:

ZINGEN: ich steh an deiner Krippen hier
Paul Gerhardts kerstlied = gezang 141, Melodie van J.S. Bach. Nederlandse versie met toelichting, en twee coupletten in het Duits tot slot.

Vrij verhaal:
De nukkige keizer op zoek naar het echte kerstverhaal

ZINGEN gezang 145: Nu zijt wellekome

gebeden
ZINGEN Midden in de winternacht
Voor- en tussenspelen naar Louis-Claude Daquin (1694-1772):

Zegen
ZINGEN amen gezang 456

SORTIE: Paul Blumenthal (1843-1930): Allegro brioso
      uit ‘I. Sonate, opus 57’ (1890):



Musikalische Exequien

Ontstaansgeschiedenis

De tekst

Ongeveer een jaar voor zijn dood begint Heinrich Posthumus Reuss (1572-1635, landheer van Gera etc.) zijn eigen uitvaart voor te bereiden. Hij besluit om de koperen grafkist (sarcofaag) waarmee hij in de graftombe van zijn voorouders zal worden bijgezet, te laten versieren met 25 teksten, een afwisseling van bekende bijbelverzen en geliefde lied-strofen. De ‘idee’ komt bij Martin Luther zelf vandaan.  Die heeft in 1542 in een voorwoord bij een gezangboek met ‘liederen voor een christelijke begrafenis’ zelf een schot voor de boeg gegeven, en geschikte bijbelteksten opgelijst. ZIjn statement: “Zulke spreuken en grafschriften zijn veel zinvoller dan al die wereldlijke tekenen, helmen, schilden …” De bijbelteksten zijn bij Reuss ‘gepaard’ aan een liedstrofe (beetje zoals een aria en een koraal in de Cantates/Passies van Bach). De teksten moeten dienen om straks bij zijn uitvaart de aanwezigen op te wekken om zich op een opbouwende manier op de dood voor te bereiden en over het sterven na te denken (zu Erweck: und Übung Gottseliger SterbensGedancken, zo staat het op de liturgie die gedrukt werd). De staatsbegrafenis is een geloofsstatement bij uitstek, met sociale en politieke functie (het is volop oorlogstijd! Heinrich was – overtuigd Luthers – adviseur van de keizer geweest, zelfs van drie opeenvolgende. Hij wist heel goed wat er speelde.)

Hij kiest ook alvast de preektekst waarover de dominee moet spreken in de dienst: Psalm 73, 25-26: Heer, als ik U maar heb, dan heb ik niets meer nodig op hemel, of op aarde. Tenslotte spreekt hij de wens uit dat de inscripties op zijn grafkist , evenals andere door hem gekozen teksten (o.a. de lofzang van Simeon) tijdens zijn begrafenisdienst zouden worden ten gehore gebracht op muzikale wijze. Zijn vrouw wordt pas enkele dagen voor zijn overlijden ingelicht over het bestaan van de kist en de opzet van zijn uitvaart.

Als de vorst na een kort ziekbed overlijdt (3 december 1635), krijgt – dat lijkt tenminste het aannemelijkste scenari – Heinrich Schütz de opdracht om de teksten op muziek te zetten. Schütz stamt uit Kostritz en zijn vader was gehuwd met de dochter van de burgemeester van Gera. Gezien de diplomatieke carrière van Heinrich Reuss, kan het haast niet anders dan dat ze elkaar gekend hebben. In 1617 had Schütz trouwens op verzoek van de vorst een aanbeveling geschreven voor de organisatie van het muziekleven in Gera (kerk, hof en school).  Schütz kwijt zich op ingenieuze wijze van zijn taak en componeert de Musikalische Exequien: een volledige Duitse ‘begrafenismis’ op muziek.

Op 4 februari 1636 (niet toevallig Maria-lichtmis) vond de plechtige uitvaart plaats in de Skt. Johanniskirche in Gera. Hoogstwaarschijnlijk werd de muziek door Gera-er musici uitgevoerd (8 zangers en 1 toetsenist, die op een ‘verdackt orgel’ moet spelen. Een orgel met een kleed erover? discreet opgesteld? Of met ‘gedackt’ register?) Het eerste deel van de muziek klonk voor de preek als Missa brevis, het tweede deel na de preek (als Schriftmotet). Bij de bijzetting in de familiecrypte onder de kerk, klonk het derde muziekstuk, waarbij het koor de lofzang van Simeon zong, terwijl verderop in de kerk twee vrouwenstemmen antwoordden met ‘Zalig zijn de doden, die in de Here sterven’.  

Zelden klonken bijbelse ‘krachtspreuken’ troostrijker dan in deze muzikale toonzetting van 386 jaar geleden.

De muziek

Het eerste deel van de Musikalische Exequien was dus bedoeld als een Missa Brevis, d.w.z. kyrie en gloria. Het 3-voudige kyrie is gemakkelijk te herkennen in de drievoudige roep om erbarming, gericht tot Vader, Zoon en Heilige Geest, zeer gebruikelijk in de Lutherse traditie. Hier heeft Schütz – na de intonatie (uit Job) de bijbelspreuken getoonzet die op de sarcofaag rondom de crucifix afgedrukt en op het hoofdeind zijn afgedrukt. De ‘hoofd-teksten’ zogezegd:

De rest van de compositie vervangt het Gloria. De intonatie is Joh 3:16a (Alzo lief heeft God de wereld gehad… vervangt dus ‘Gloria in excelsis Deo), waarbij het ‘in terra pax’ – waar gewoonlijk het koor begint – de woorden van het vervolg krijgt toegewezen (opdat allen die geloven, niet verloren gaan, maar…). Daarna worden de bijbelteksten die op de sarcofaag staan getrouw door Schütz getoonzet, steeds gevolgd door de liedstrofen die op de sarcofaag er ook bij geplaatst zijn. Deze verbinding van Bijbel met liedstrofen is het echt originele van de tekstkeuze van Heinrich Reuss. Die liedteksten waren even bekend als de bijbelse ‘krachtspreuken’ en men kende ook de melodie die erbij hoorde. In zijn voorwoord verontschuldigt Schütz zich dat hij de gekende melodieën nogal een geweld heeft aangedaan (eerder thematische inspiratie dan citaat). Hij wilde ze qua sfeer, ritme en tonaliteit, integreren in het totaalconcept dat hij muzikaal voor ogen had. Tussen de door solisten vertolkte bijbelteksten en de daaropvolgende door de capella (6-stemmig) gezongen liedboek-teksten bestaat een sterk inhoudelijk verband, vergelijkbaar met de wijze waarop later Bach in de diverse passies, de koralen laat reageren op de aria’s. Schütz heeft zelf een uitgave verzorgd van de muziek. In het voorwoord spreekt hij de hoop uit dat de muziek verder mag leven, niet enkel als begrafenismuziek, maar als een Duitse Missa brevis. Dit was te revolutionair voor zijn tijd. Men was nog gehecht aan de gewone bewoordingen van m.n. het Gloria. Eigenlijk wel jammer, want wat Schütz (en Reuss) hebben bereikt met hun tekstkeuze is een kyrie dat verankerd is in de beleving van sterfelijkheid, eindigheid van de mens, en een gloria dat antwoordt op die ‘condition humaine’ door te verwijzen naar de dragende en reddende kracht van een verinnerlijkt evangelie. Christo-centrisch en tegelijk humaan, humanistisch.

Overzicht en opbouw

klik op de afbeelding

Orde van dienst

  1. Introïtus: Nacket bin ich vom Mutterleibe kommen…
  2. Kyrie en Gloria
    = deel 1 van de Exequien „Concert in Form einer teutschen Begräbnis-Missa“
  3. Lied: Herzlich lieb hab‘ Ich dich, o HERR
  4. Predikatie door Christoph Richter over Psalm 73, vers 25: Wenn ich, HERR, nur dich habe
  5. Aanknopend aan de preek (als Schriftmotet) : het dubbelkorige Motet HERR, wenn Ich nur dich habe
    = deel 2 van de Exequien
  6. Bijzetting van de sarcofaag in de crypte, terwijl het Canticum Simeonis klinkt
    • als dubbelkorig motet: HERR, nun lässest du deinen Diener « unterlegt mit » Selig sind die Toten. = deel 3 van de Exequien
    • als lied: Mit Fried und Freud Ich fahr dahin  (=Luthers strofische versie van het Canticum Simeonis )
  7. Na de zegenspreuk die de viering besluit, zingt de gemeente nog:

Hört auff mit weinen und klagen,
Ob dem Todt niemand zage.
Er ist gestorben als ein Christ
Sein Todt ein Gang zum Leben ist.

De kist

Uit artikel van Werner Breig (Schütz Jahrbuch 2019

Bach & Bijbel

Lezing over Bachs bijbel

Spreker:  Dick Wursten, historicus en theoloog

Wat geloofde Bach zelf eigenlijk? Was hij een ‘vijfde evangelist’ zoals men vroeger wel eens schreef, of was hij gewoon een ambachtsman in dienst van de kerk? Niemand die het weet, want Bach heeft zich over die zaken nooit uitgesproken.

Of toch? In de vorige eeuw werd geheel bij toeval een 17de eeuwse Bijbel met aantekeningen gevonden in Amerika, die aan Bach bleek te hebben toebehoord. Sterker nog: hij heeft passages onderstreept, en af en toe in de kantlijn opmerkingen geplaatst. Niet voor publicatie, maar voor zichzelf.


Pas sinds kort beginnen onderzoekers te beseffen welk een schat aan informatie hierin verborgen zit. De kriebels in de kantlijn, de enkele uitgebreide aantekeningen en de vele onderstrepingen geven ons een inkijkje in Bachs hart.

Dick Wursten neemt ons bij de hand en laat aan de hand van deze bijzondere bijbel zien wat Bach nu echt dacht over de rol van muziek in de eredienst, over het geloof en het christelijk leven.

De Bachliefhebber en boekenuitgever Dingeman Van Wijnen heeft enkele jaren geleden
een facsimile-editie van de ‘Bach-bijbel’ laten maken. Tijdens de lezing zal er een inkijkexemplaar aanwezig zijn.

https://bachindestad.be/evenementen/bach-bijbel/