het verhaal van Ismael en Hagar (Genesis 21)

[tekst uitgesproken bij het oratoriumconcert van 5 maart 2019]

Algemene introductie

In deze serie ‘muzikale bijbelvertellingen’ schrijven we het woord ‘bijbel’ bewust met een kleine letter. Naast het heilige boek voor diverse godsdiensten is ‘de bijbel’ namelijk ook gewoon een ongelooflijke rijke verzameling van verhalen, liederen, gedichten, spreuken, afkomstig uit het Midden-Oosten. Eerbiedwaardig oud soms. Sommige fragmenten gaan meer dan 3000 jaar terug. Je kunt de verhalende delen daarin dus ook lezen als literaire teksten, zoals je Homerus leest, of Vergilius. Oorspronkelijk werden ze ook niet gelezen, maar verteld of gereciteerd, mondeling doorgegeven van geslacht op geslacht. Pas in een vrij laat stadium zijn ze verzameld en opgeschreven. En nog veel later zijn die verschillende verzamelingen ook zelf weer bijeengebracht en krijgt het geheel langzaam de contouren van de ‘bibliotheek van boeken’ die wij de bijbel noemen.

De Abrahamcyclus

Voor de oratoria hebben wij gekozen voor drie verhalen uit de ‘Abraham-cyclus’. Die vinden we in het boek Genesis, vanaf hoofdstuk 12. De aandachtige lezer zal al snel vaststellen dat deze cyclus op zich ook weer een bont geheel is. De verhalen zijn afkomstig uit diverse bronnen, staan soms in gespannen verhouding tot elkaar wat het beeld van de aartsvaders en van hun God betreft. Ze zijn door een ‘redactor’ zo goed en kwaad als het gaat in een zinvol verband gezet. Dit redactieproces omvat volgens bijbelwetenschappers meerdere eeuwen en is waarschijnlijk pas afgesloten na de ballingschap. Dit maakt de cyclus caleidoscopisch en stelt de lezer (hoorder) voor grote uitdagingen.

Tegelijk: bijbelverhalen zijn geen verhalen van dertien in een dozijn. Neen, enkel de echt goede verhalen hebben de tand des tijds overleefd. Waarom zou men anders de moeite hebben gedaan ze al die eeuwen lang over te leveren. Ze hadden wat te zeggen, toen, en ze doen dat – wellicht – nog steeds. Wij focussen dus niet op de theologische inhoud of de kerkelijke betekenis, maar op het verhaal zelf, wat er verteld wordt en hoe we dat kunnen horen, los van kerk en geloof. De verhalen zijn deel van de West-europese cultuur geworden. En zo, als ons aller erfgoed, presenteren we ze hier. De kerk is dus geen liturgisch gebouw vandaag, maar een cultureel centrum.

Genesis 21

We vallen middenin het verhaal van de Abrahamcyclus. Sterker nog: het verhaal is al bijna 10 hoofdstukken bezig en we naderen de ontknoping. Het verhaal was ooit begonnen toen een zekere Abraham een stem hoorde die zei, ‘Ga weg uit je land, je familie, je huis en ga naar het land dat ik je zal tonen.’ En, raar maar waar – elk goed verhaal vraagt om een tijdelijke suspension of disbelief – Abraham doet dat nog ook. Hij gaat. Maar ja, waarheen eigenlijk? ‘Dat land dat God hem tonen zal’: waar ligt dat? Abraham wist het ook niet. Het resultaat is dat hij al z’n zekerheden achterlaat, en begint aan een onzeker, zwervend bestaan, zoekend. Overal en nergens thuis, altijd ‘met de koffers gepakt’ zal ik maar zeggen. Tegenover dat onzekere bestaan staat – zo gaat het verhaal – een belofte: Als hij zo op weg zou gaan, dan zal hem – of beter zijn zoon – een land ten deel vallen, waar hij zal uitgroeien tot een groot volk. En zo zal hij anderen tot zegen zijn. Niet mis.  Maar ook hiervan geldt: hoe dat moet gebeuren, wordt er niet bij verteld. Hij moet maar vertrouwen, op de belofte. Gaan dus op de bonnefooi, de bonne foi. That’s all.

Maar – en hier wordt het verhaal interessant – in het land van aankomst blijkt niemand op hem te wachten. Hij trekt dus maar van pleisterplaats naar pleisterplaats. Alles is altijd maar tijdelijk. En tot overmaat van ramp blijkt zijn vrouw, Sara, ook nog eens onvruchtbaar. Dus die zoon en dat grote volk: dat ziet er ook niet echt in. En als ze oud zijn geworden en het Sara niet meer gaat ‘naar de wijze van de vrouwen’, geven ze het op. Al dat wachten heeft geen zin. Ze besluiten het heft nu maar in eigen handen te nemen. Ze moeten toch iets doen om hun toekomst te verzekeren. Sara heeft een idee: Als Abraham nu eens een slavin als bijvrouw zou nemen. En als die dan zwanger wordt, dat die dan bevalt in haar schoot, zodat het kind als het ware het hare is… dan is het toch ook opgelost. Toekomst verzekerd. Inderdaad: het script voor ‘The Handmaid’s Tale’ ligt op tafel. En het lukt: Sara brengt Hagar naar Abraham en goed negen maanden later wordt Ismael geboren. Er is een zoon.

Abraham ziet de toekomst weer rooskleurig tegemoet. Sara heeft er meer moeite mee dan ze had gedacht.

Het steekt toch wel erg: Die slavin wel en zij niet. Maar ja, het leven gaat door. Ismael blijkt een vitale jongen te zijn, levendig, speels, eigenwijs. Abraham vindt het prachtig. Hij begint zin te krijgen zich te ‘vestigen’. Zo komt alles toch nog mooi op z’n pootjes terecht.

Maar… Dat is buiten de waard gerekend.

Net als ze zich neergelegd hebben bij hoe het gaat, en zelf hun toekomst hebben gearrangeerd, komt God weer op de proppen. Een echte stoorzender, die God van Abraham. Op een middag staan er namelijk drie mannen voor de ingang van de tent. Abraham kent ze niet, maar onthaalt ze gastvrij. En terwijl Sara pannekoeken voor ze bakt en de knecht Eliëzer het gemeste kalf slacht, beginnen die mannen weer over dat kind, die langverwachte zoon van Abraham en Sara. En zij verzekeren Abraham, dat het niet lang meer zal duren. Als Sara dat hoort, schiet ze in de lach. ‘Ze lacht’, zeggen de mannen. Zo zal het kind dan ook heten: Jitschaaq in het Hebreeuws. Isaak. En nu zijn we bij ons verhaal.

Het zou dus de apotheose moeten zijn van de Abrahamcyclus: de geboorte van de zoon van de belofte in het land van de belofte: Isaak. En inderdaad. Er is een feest, er wordt opnieuw gelachen (tsachaq = een sleutelwoord in Genesis 21), maar daar is iets met dat gelach: Is het wel kosjer allemaal?  Lacht men met Sara mee uit vreugde, of lacht men met Sara? En wat doet Ismael daar: Wat is dat voor gelach dat Sara hoort. Volgens sommigen is het onschuldig: Ze zijn aan het spelen (zo de oude Griekse vertaling, de Septuaginta). Maar Sara hoort spot in het gelach en als een pijl doorboort de afgunst opnieuw haar hart. Ze schiet in actie.

Reflectie

Er zit spanning in het verhaal. Ik weet niet of u dat gevoeld hebt. Abraham wil Ismael helemaal niet wegsturen. Hij is gehecht geraakt aan Ismael. Er is zelfs een godsspraak nodig om hem over de streep te trekken en Hagar en haar zoon weg te sturen. Als we het verhaal literair-kritisch zouden ontleden, dan lijkt het zelfs wel alsof die godsspraak is ingevoegd om Abraham een beetje vrij te pleiten omdat hij dat gedaan heeft, toegegeven aan Sara.

Een procedé dat trouwens courant is in de Joodse overlevering. Vaak reageren dit soort toevoegingen, ‘inlassingen’ op ‘morele problemen’ die latere vertellers hebben gehad bij de verhalen die ze moesten overleveren.

Midrasjiem noemt men dat. Reageren op een verhaal door er een element aan toe te voegen. We kennen ze uit de Talmoed. De hele Joodse traditie is er op gebouwd. Maar je vindt ze eigenlijk ook al in de bijbel zelf. Dat geeft de vertelling een gelaagdheid, zelfs interne tegenstrijdigheden worden niet geschuwd. En het resultaat is dat zo’n vertelling ‘sich auseindersetzt’ met zichzelf. Er is een intern gesprek gaande.

Het indrukwekkendst in deze vertelling vind ik het moment dat ‘God volledig in het plot getrokken wordt’ om het met een term van Paul Ricoeur te zeggen. Abraham en Sara: de jaloezie, de machtsstrijd, het verjagen van de concurrent. Het is menselijk gedrag, menschlich allzu menschlich … En het zaait dood en verderf. Dat is duidelijk. Krasser dan de verteller het doet kun je de totale vertwijfeling van Hagar niet oproepen, als ze ‘haar kind onder de struik werpt, omdat ze het sterven niet kan aanzien’. Zo loopt het af, als mensen met elkaar hun conflicten uitvechten.

En nu lijkt het wel alsof de verteller ‘God’ juist daarom zo diep het verhaal intrekt, a.h.w. om tegenwicht te bieden tegen die neerwaartse spiraal, tegen het menselijke verhaal dat zo onmenselijk verloopt. God, zo meldt de verteller ‘hoorde de stem van de jongen’. Even later herhaalt de engel het nog eens. En dan is er ook toekomst voor de ten dode opgeschreven Hagar en haar zoon.

En naarmate de bijbelse verhaalcultuur zich verder ontwikkelt – zeg ik nu maar even boudweg – kunnen we vaststellen dat dit wonderlijke personage, ‘de God van Abraham, Izak en Jakob’, zich steeds meer ontpopt tot een pleitbezorger, verdediger, voor ‘echte menselijkheid’ in een wereld van mensen die daar maar weinig oog voor hebben.

Nog één opmerking: Het was u misschien ook al opgevallen: Sara noemt Hagar nooit bij name (‘die slavin van u’), en de naam van ‘Ismael’ valt zelfs helemaal niet in dit verhaal. Hij is ‘de zoon van de slavin’, ‘het kind’ ‘de jongen’. Ook Abraham noemt hem niet bij name.

Toch valt de naam wel degelijk, tweemaal zelfs, als u de oorspronkelijke tekst zou horen. Waar de vertaling zegt: ‘En God hoorde de stem van de jongen’ klinkt in het Hebreeuws de naam van Ismael: ‘Wa-jishma elohim èl qol ha-na’ar). Elk mens heeft er recht op bij zijn naam te worden genoemd.

Dick Wursten